Het schip dat op de centimeter nauwkeurig naar de sluizen werd gebouwd: hoe het Freycinet-net de spits vormde en omgekeerd.
Wie weleens in Frankrijk heeft gevaren of gespot, kent het beeld: een laag, rechthoekig scheepje dat als gegoten in een krappe sluiskolk past, met links en rechts soms maar een handbreedte speling. Dat is geen toeval. De spits, in het Frans péniche genoemd, is letterlijk ontworpen naar de maat van de Franse sluizen. De motorspits is daarvan de gemotoriseerde opvolger en bepaalde decennialang het gezicht van de Franse en Belgische kanalen.
Om te begrijpen waarom de spits is zoals hij is, moet je eerst naar het kanaalnetwerk kijken waarvoor hij gebouwd werd: het Freycinet-net.
In 1879 legde de Franse minister van Openbare Werken, Charles de Freycinet, een uniforme norm vast voor de afmetingen van sluizen op een groot deel van het Franse kanalennet. De sluiskolken moesten voortaan ongeveer 39 meter lang en 5,20 meter breed worden, met een minimale waterdiepte rond 2,20 meter. Het doel was eenheid: een schip dat aan deze maat voldeed, kon over vrijwel het hele net varen zonder ergens vast te lopen.
Aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw werden talloze kanalen en sluizen op deze maat verbouwd. Het gevolg was een aaneengesloten netwerk waarop één standaardschip thuis was. In de Europese vaarwegklassen komt het Freycinet-gabarit overeen met klasse I, de kleinste klasse, en goed voor enkele duizenden kilometers vaarweg in Frankrijk.
Maximale lengte schip: 38,50 meter
Maximale breedte: 5,05 meter
Diepgang: circa 1,80 tot 2,20 meter
Maximale doorvaarthoogte: 3,50 meter
Laadvermogen: ongeveer 300 tot 400 ton (vaak rond 350 ton)
Sluiskolk (norm 1879): circa 39 meter lang × 5,20 meter breed
Europese vaarwegklasse: CEMT-klasse I
Let op: in de praktijk lopen opgaven licht uiteen. De spelingsmarge tussen schip en sluiskolk is bewust klein gehouden om de laadcapaciteit te maximaliseren.
De vroegste spitsen voeren niet op een motor. Ze werden gejaagd of getrokken, vaak door paarden die langs het jaagpad liepen. Veel van deze schepen hadden een roef in het midden, waar 's nachts de paarden gestald werden. De naam spits verwijst naar het oorspronkelijk spitse voorschip, ook al kreeg het scheepstype later een veel plompere, rechthoekige vorm.
In de jaren twintig van de twintigste eeuw werden veel spitsen voorzien van een motor. Zo ontstond de motorspits. Die motorisering was een uitkomst, maar bracht ook een technisch nadeel met zich mee dat typerend is voor dit scheepstype.
Door de volle, blokvormige rompvormen, die alle ruimte aan lading gaven, was het rendement van de schroef vaak laag. Het achterschip had te weinig inzinking, waardoor de schroef bij lichte belading soms voor een deel boven water uitstak. De spits is dus een schip waarin laadvermogen consequent boven vaarefficiëntie ging: elke centimeter was bedoeld om vracht te dragen, niet om snelheid te maken.
Bijna altijd 38,50 bij 5,05 meter. Past op de centimeter in een Freycinet-sluis, met minimale speling.
Rechthoekig, recht boord, korte ronde kop en kont. Alles is ondergeschikt aan een zo groot mogelijk laadruim.
Laag silhouet voor de doorvaarthoogte van 3,50 meter. Stuurhut vaak achter, soms verstelbaar of neerklapbaar.
De spits is niet het enige kleine motorvrachtschip in de Lage Landen en Frankrijk, en de termen lopen weleens door elkaar. Een paar handvatten:
Spits / péniche / Freycinet: de standaard van 38,50 bij 5,05 meter, gebouwd voor het Franse net. In België ook wel Vlaming genoemd.
Kempenaar: een groter klein motorvrachtschip, oorspronkelijk gebouwd voor de Kempische kanalen in Zuid-Nederland en België, met een tonnage in de orde van 600 ton. Groter dan een spits, dus niet overal in het Freycinet-net inzetbaar.
In de beroepsvaart zijn er nog maar weinig spitsen actief: de beperkte laadcapaciteit kan niet op tegen de moderne, grotere schepen. Veel exemplaren kregen een tweede leven als woonschip of charterschip, vooral in Frankrijk. Wie de motorspits in zijn natuurlijke habitat wil zien, moet richting de kleinere Franse kanalen, waar de schaal van schip en sluis nog perfect op elkaar aansluit. Op het Julianakanaal en de grotere Limburgse vaarwegen kom je ze nauwelijks tegen: die zijn op veel grotere schepen ingericht, wat de spits juist zo'n mooie contrastervaring maakt wanneer je hem elders wel tegenkomt.
Heb jij ook een mooi verhaal over de Franse kanalen of over de Spitsen die erop varen? Een schip dat je nooit vergeet, een bijzondere ervaring als spotter of een herinnering aan jaren op het water? We horen het graag en plaatsen het met liefde op Binnenvaartspotter.nl.
Stuur jouw verhaal in ›